Geen afbeelding beschikbaar

Paleisschool

Lebuïnuskelk met zilveren montuur

-

Lebuïnuskelk
Aken, 790-810
Museum Catharijneconvent, Utrecht, ABM bi787

Een belangrijk motief voor een pelgrimstocht is het zoeken van genezing voor een ziekte of gebrek. Het vereren van relieken zou hieraan kunnen bijdragen. Houvast bieden de talloze verhalen over wonderbaarlijke genezingen bij heiligengraven. In de late Middel-eeuwen laat de kerk pelgrims en andere gelovigen drinken uit aan heiligen toegeschreven bekers, nappen en drinkglazen. Dit zou een heilzame en geneeskrachtige werking hebben. Waarschijnlijk is hiervoor ook de Lebuïnuskelk gebruikt. Ten onrechte werd hij toegeschreven aan de Ierse missionaris Lebuïnus (†773).

Trefwoorden
Paleisschool

Objectspecificatie

Objectnaam
kerkgerei
Materiaal
ivoor, koper, zilver, goud
Afmetingen
Huidige locatie
Niet in het museum te zien
Verwervingsmethode
bruikleen
Objectnummer
ABM bi787

Objectbeschrijving

De ivoren kelk bestaat uit een naar verhouding grote cuppa, een korte geprofileerde stam en een kleine, ronde voet. De buitenzijde van de cuppa en de kelkvoet zijn rijkelijk overdekt met snijwerk van acanthusblad. De ivoren kelk is gevat in een montuur (met oud inventarisnummer ABM m1249) van verguld en verzilverd koper(?).

De decoratie van de ivoren cuppa is ingedeeld in drie horizontale banden, die van elkaar gescheiden zijn door één resp. twee smalle randen. De bovenste band bevat een motief van omkrullende acanthusranken waartussen een bloem oprijst. Dit motief wordt rondom vier keer herhaald. Eronder bevindt zich een band met afwisselend vier rechthoekige en vier trapeziumvormige velden. De rechthoekige velden zijn in vieren verdeeld door een dubbel uitgevoerd, diagonaal kruis. In de aldus ontstane driehoekige vlakken bevindt zich een opengevouwen acanthusblad. De trapeziumvormige velden zijn opgevuld met een motief dat nog het meeste lijkt op twee miniatuurzuiltjes met kapitelen van twee naar buiten gekrulde acanthusbladeren ter weerszijden van een opengevouwen acanthusblad. Het geheel wordt geflankeerd door twee opgerolde acanthusbladeren in zijaanzicht en aan de bovenzijde afgesloten met een drievoudige profiellijst. De onderste band, die aansluit op de stam en smaller is dan de bovenste twee, is rondom versierd met spitse, drielobbige blaadjes.

De geprofileerde stam bestaat uit een zestal ringen van verschillend formaat. Direct onder de cuppa bevinden zich twee geparelde ringen afgewisseld met een gladde ring van gelijke dikte. Het middendeel van de stam wordt gevormd door twee kleinere, enigszins bolle ringen van elkaar gescheiden door een smalle groef. De stam eindigt met een brede, dunne schijf met astragaallijst. De ivoren voet is versierd met een krans van naar rechts gerichte acanthusbladeren.

Zoals hierboven reeds vermeld, is de ivoren kelk gevat in een metalen montuur van koper(?) dat geheel verguld en deels verzilverd én verguld lijkt te zijn. Het montuur bestaat uit twee afzonderlijke delen: één rond de cuppa en één rond de voet. In de cuppa bevindt zich een binnencuppa met een relatief hoge drinkrand. De binnenzijde van de cuppa is verguld. De overige onderdelen van het montuur lijken verzilverd en daarna verguld. Aan de onderzijde van de drinkrand is een kraag bevestigd. Vanaf de kraag loopt een drietal banden met geschulpte randen over de cuppa naar de stam van de kelk, waar zij aan een gewelfde ring bevestigd zijn. Hieronder gaan de bovenste twee ringen van de stam schuil.

Het montuur van de kelkvoet is opgebouwd uit een relatief hoge, naar beneden breder wordende cilinder en een rechtwandige basis in de vorm van acht korte lobben. Een platte ring aan de bovenzijde van het montuur omsluit deels de kelkvoet.

De verschillende onderdelen van het montuur zijn met eenvoudig graveerwerk gedecoreerd. Een geruite band opgevuld met vierbladige bloempjes siert het midden van de verder glad uitgevoerde kraag. Op de drie banden zijn tegen een fijn geruite achtergrond afwisselend zevenlobbige bladeren en achtbladige bloempjes aangebracht. Een zestal vierbladige bloempjes sieren de gewelfde ring rond de stam. Het montuur rond de kelkvoet is aan de bovenzijde van de cilinder alsmede aan de boven- en onderzijde van de achtlobbige standring van een eenvoudige profiellijst voorzien. Op de rechtstandige basis van de standring zijn rondom naar links gerichte, zevenbladige takjes gegraveerd. Aan de binnenzijde van de zilveren voet staat in moderne(?) kapitalen de inscriptie CAL. LIAFVINI EPISC. DAV. (vert.: 'kelk van Lebuïnus bisschop van Deventer'). Het woord EPISC is uitgekrast.

De vatting van de voet is deels volgegoten met gips.

Techniek:
De decoratie van de ivoren kelk is in laagreliëf gesneden. De binnencuppa alsmede de vatting van stam en voet zijn gedreven. De losse onderdelen, zoals de kraag en de de scharnieren waarmee de banden aan de kraag zijn vastgemaakt, zijn vermoedelijk gegoten en gesoldeerd. In elke band bevindt zich enkele centimeters onder het scharnier een moderne(?) nagel met bolle kop die dwars door de band in het ivoor steekt. Aan de onderzijde zijn de banden met nagels aan de vatting van de stam geklonken. De vatting van de stam is met vier nagels in de stam vastgezet.

Staat:
De Lebuïnuskelk is uiterst kwetsbaar. Het ivoor is broos en donkerbruin gekleurd met hier en daar lichtere plekken als gevolg van slijtage. De bovenste rand van de cuppa is op vele plaatsen gebarsten. Van de kelkrand zijn rondom grotere en kleinere stukken afgesprongen. Ook de voet vertoont barsten. De rand van de voet en een deel van de stam en nodus zijn volgens het Jaarverslag ABM 1939 en Bouvy 1962 bijgesneden (om het zilveren montuur aan te brengen).

Het verguldsel van het montuur is grotendeels weggesleten. Slechts aan de binnenzijde van de binnencuppa als de diepergelegen delen van de kraag en banden is het verguldsel behouden. De binnencuppa vertoont aan de binnenzijde bruine vlekken: het onderliggende zilver oxideert. De binnenzijde van de vatting van de voet is donker uitgeslagen en vertoont groenige vlekken.

Aanvullende informatie

Voor zover bekend is de 'Lebuïnuskelk' de enig bewaard gebleven ivoren kelk uit de vroege Middeleeuwen. Ook in de overgeleverde, schriftelijke bronnen komen kelken van ivoor zelden voor. Braun 1932 kent slechts twee voorbeelden: een ivoren kelk in het testament uit 867 van Markgraaf Eberhard von Friaul (Friuli) en een 'vasculum eburneum ad usum sacrificii' in een inventaris van Meschede uit de tijd van abdis Hidda (gest. ?).

In navolging van Braunfels 1968 wordt algemeen aangenomen dat het bij de Lebuïnuskelk oorspronkelijk om een profane drinkbeker gaat. Kalf meldt dit overigens reeds in 1906. Hij denkt echter dat een een 4de- of 5de-eeuwse, Romeinse kelk betreft, in 16de-eeuws montuur. Pas nadat de kelk in een zilveren montuur is gevat, zou deze als miskelk zijn gebruikt. Wanneer deze omslag van profaan naar religieus heeft plaatsgevonden, is niet bekend. In de literatuur, waaronder Koldeweij 1985 en Elbern 1986, wordt er doorgaans van uitgegaan dat de profane drinkbeker in de 14de eeuw door het aanbrengen van het huidige, zilveren montuur geschikt gemaakt is voor liturgisch gebruik. Volgens Bouvy 1967 is het daarentegen heel wel mogelijk dat van aanvang aan een cuppa van edelmetaal in de ivoren beker was ingelaten om de kelk voor de eredienst te gebruiken, zoals dat ook het geval was bij de zogenaamde Tassilokelk. Dubbe 1992 heeft recentelijk enkele vraagtekens bij bovenstaande opvatting geplaatst. Volgens hem zou de aanduiding 'Sanct Lebuyns nap myt eynen sylveren voet' in de inventaris van 1566 van de kunstschatten van de Grote- of Lebuïnuskerk te Deventer erop kunnen duiden dat de drinkbeker, tenminste in de 16de eeuw, niet als miskelk werd gebruikt, maar daarentegen als reliek werd beschouwd. Feit is dat sinds de late Middeleeuwen op talloze plaatsen drinkbekers van heiligen werden bewaard. En in talloze kerken ontwikkelde zich het gebruik om, op feestdagen van de heilige waarvan men geloofde dat de beker was, gelovigen en pelgrims tijdens de mis uit deze drinkbekers te laten drinken. Dit gebruik, waarvan we bij Koldeweij 1985 verscheidene voorbeelden aantreffen, bloeide met name in de 14de en 15de eeuw op. Zo werd te Maastricht uit de beker van Servatius gedronken en in Utrecht uit de nap van Odulphus. Voor de Lebuïnuskelk ontbreken tot op heden schriftelijke bronnen om een dergelijk gebruik te bevestigen.

Zoals bij Hogenstijn 1981 te lezen staat werd de Lebuïnuskelk tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw in de R.K. St. Lebuïnuskerk te Deventer gebruikt door pasgewijde priesters die uit de parochie afkomstig waren en hier hun eerste plechtige mis celebreerden. Verder werd de kelk ter gelegenheid van de jaarlijkse eerste communie als ciborie gebruikt.

Wat de toeschrijving en datering van de Lebuïnuskelk betreft, wordt sinds de publicaties van Meyer-Barkhausen 1930 en Nordenfalk 1959 algemeen aangenomen dat deze in het begin van de 9de eeuw in de 'Hofschule' van Karel de Grote moet zijn vervaardigd. Men komt tot deze conclusie op grond van de grote overeenkomsten tussen de ornamentering op de kelk en die van de nummers IV en VIII van de 'classicistische' hekken van de Paltskapel te Aken. Als terminus post quem voor de kelk wordt doorgaans het jaar 805 genoemd, i.e. het jaar waarin de Akense Munsterkerk volgens de overlevering zou zijn gewijd. In deze zienswijze kan de drinkbeker onmogelijk aan de de heilige Lebuïnus hebben toebehoord. Deze Angelsaksische missionaris die in de IJsselstreek het evangelie verkondigde en in Deventer een kerkje stichtte, stierf namelijk omstreeks 773.

Recentelijk heeft Dubbe 1992 enkele vraagtekens geplaatst bij bovenstaande opvatting dat de ivoren kelk in dezelfde werkplaats is ontstaan als de Akense hekken. Zo merkt hij op dat de ornamenten op de hekken en de beker niet geheel identiek zijn. De toegepaste motieven waren bovendien te vinden op Romeinse bouwwerken, waarvan nog talrijke restanten in de Karolingische tijd aanwezig waren. Het is volgens Dubbe dan ook niet ondenkbaar dat de maker van de kelk en de ontwerper van de hekken zich door verschillende Romeinse voorbeelden hebben laten inspireren.

In de heersende opvatting wordt eveneens weinig aandacht besteed aan het verschil in materiaal tussen de kelk en de hekken, en inherent daaraan aan het verschil in techniek. Koldeweij 1985 doet als een van de weinigen een poging dit te verklaren door te wijzen op de frappante overeenkomst tussen het modellé van de beker met dat van de wasmodellen die geboetseerd en gesneden moeten zijn voor de Akense heken IV en VIII, de Servatiussleutel en de Häljarp-speld (te Lund, Universitets Museum). Al deze voorbeelden zijn echter van metaal. Koldeweij geeft zelf aan dat alles erop wijst dat het metaalgieten de eerste specialisatie van het atelier was. [De Wit: Zijn conclusie dat de Lebuïnuskelk een uitzonderingspositie zou hebben ingenomen is niet erg overtuigend.]

De ivoren kelk met zilveren montuur maakt sinds ca. 14 september 1939 deel uit van de collectie van het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht, welke thans is ondergebracht in Museum Catharijneconvent (zie brief van J.E. Brom d.d. 14 sept. 1939 in hangmap). Daarvoor bevond de kelk zich volgens het Jaarverslag ABM 1939 in de kluis van de pastorie van de R.K. St. Lebuïnuskerk te Deventer. Als Lebuïnus niet zelf de beker heeft meegebracht, blijft de vraag open hoe en wanneer de kelk in Deventer terecht gekomen is.
In het algemeen wordt aangenomen dat de 'Lebuïnuskelk' identiek is aan de 'Sanct Lebuyns nap myt eynen sylveren voet' in de inventaris van 1566 van de schatten van de Lebuïnus- of Grote kerk te Deventer (GAD, Stadsarchief, MA 328). De ivoren kelk zou zich dan tenminste sinds de tweede helft van de 16de eeuw in Deventer hebben bevonden.

In 1939 is de ivoren kelk uit het montuur gehaald door edelsmid J.E. Brom. Hiervan is helaas geen verslag overgeleverd. Wie de kelk echter nauwkeurig bekijkt, kan maar tot één conclusie komen, namelijk dat het montuur niet te verwijderen is, zonder de stam van de cuppa of de voet los te maken. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat de cuppa en stam losse delen zijn en dat de stam in de cuppa geschroefd is.

Van Vlierden: Tijdens een technisch onderzoek, uitgevoerd door Robert van Langh, restaurator edelmetaal van het Rijksmuseum te Amsterdam, is ontdekt dat er een naad zit tussen voet en stam, net boven de astragaallijst. Dit lijkt er inderdaad op te duiden dat de stam losgemaakt kan worden van de voet. Het aangieten van de voet met gips is volgens Van Langh vanaf de 19de eeuw een gebruikelijke procedure. Dit werd gedaan vanwege de stabiliteit. De kelk is wel degelijk gemaakt van verguld zilver. De groenachtige vlekken op de voet hebben mogelijk te maken met soldeerresten o.i.d. Zie ook het verslag in de hangmap.

In 1985 is de Lebuïnuskelk op de lijst van 'Wet tot behoud van cultuurbezit' geplaatst.

Literatuurverwijzingen

  • 2016, Karel de Grote : stamvader van Europa, Kuipers, Jan J.B.
  • 2014, Gezien met eigen ogen! : topstukken uit de Middeleeuwen in Museum Catharijneconvent, Welie, Wendelien van, p. 12-13, afb.
  • 2014, Karl der Große - Charlemagne : Karls Kunst, Brink, P. van den, p. 79, afb. 6
  • 2014, "Er schenkte der Kirche viele heilige Gefässe aus Gold und Silber" : Goldschmiedekunst in der Zeit Karls des Grossen, Labusiak, Th., p. 79, afb. 6
  • 2014, Lebuinus in Deventer, Brinkmann, Paul, p. 15, afb.
  • 2013, Lebuïnuskelk als stripheld, Schooten, Kees van, p. 22, afb.
  • 2013, Karel de Grote : een keizer op de grens tussen twee werelden, Bauer, Raoul, p. 198, afb.
  • 2013, Textbook highlights Museum Catharijneconvent (2013), nr. 101
  • 2012, Communiceren met een heiligenleven : Lebuïnus en de lezer, Toorians, Lauran, p. 247, afb. 3
  • 2012, geest van Lebuïnus : het eerste (verantwoorde) beeldverhaal over de historie van Daventria, deel I: De Lebuïnuskelk, Stempher, Hans
  • 2012, Naar de Middeleeuwen : het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht vanaf het begin tot 1882, Peters, Elmer, p. 113, afb.
  • 2010, Geschiedenis van Deventer, deel I: Oorsprong en Middeleeuwen, Slechte, C.H., p. 16, afb.
  • 2009, 2000 jaar Nederlanders en hun kerstening, Bange, P., p. 385, afb.
  • 2009, Textbook highlights Museum Catharijneconvent (2009)
  • 2009, 2000 jaar Nederlanders op pelgrimstocht, Margry, Peter Jan
  • 2009, 2000 jaar Nederlanders en hun godshuizen, Schmidt, Freek
  • 2009, Schitterend : de schatkamer van Museum Catharijneconvent, Klaver, Sanne, p. 17, afb. 6
  • 2007, Timmers werk : opstellen over prof. Timmers & de kunst van het Maasland, Schutgens, C.H.G., p. 69, afb.
  • 2007, tijd van monniken en ridders 500-1000, Speet, Ben, p. 80, afb.
  • 2006, Bewaar de schoonheid : topstukken van religieuze kunst in het aartsbisdom Utrecht, Steeg, Maria ter, p. 82-83, afb.
  • 2006, Christendom in Nederland : topstukken uit Museum Catharijneconvent, Hellemans, B.S., p.14, afb. 5
  • 2006, Christianity in the Netherlands : highlights from Museum Catharijneconvent, Hellemans, B.S.
  • 2006, Textbook highlights Museum Catharijneconvent (2006), p. 1
  • 2005, Gebouwd op geloof : monumenten van religie, Schaik, Ton H.M. van
  • 2003, Ex oriente : Isaak und der weisse Elefant : Bagdad-Jerusalem-Aachen : eine Reise durch drei Kulturen um 800 und heute , [Katalogbuch in drei Bänden] 1 Die Reise des Isaak - Bagdad , 2 Jerusalem , 3 Aachen - der Westen, Dressen, Wolfgang, Band 3, p. 30, afb.
  • 2002, Pelgrimstochten [2de dr.], Kollaard, U.H., afb. 9
  • 2002, Jezus, de gelovige missionarissen en de heidense Friezen, Mostert, M., afb.
  • 2000, Advies actualisering WBC-lijst : Wet tot Behoud van Cultuurbezit, p. 80
  • 2000, weg naar de hemel : reliekverering in de Middeleeuwen, Os, H.W. van, p. 182-183, afb. 211
  • 2000, Kunst met een verhaal : een keuze uit twee musea, Fafié, Th.A., p. 9-12, afb.
  • 2000, Museum Catharijneconvent : een keuze uit de mooiste werken, Koers, Niels H., p. 8, afb.
  • 1999, Glans langs de IJssel : zilver uit Zutphen, Deventer, Zwolle en Kampen, Dijk, Lydie van, p. 74, afb.
  • 1999, 799 Kunst und Kultur der Karolingerzeit : Karl der Grosse und Papst Leo III. in Paderborn : Beiträge zum Katalog der Ausstellung Paderborn 1999, Stiegemann, Chr., p. 697-699, afb.
  • 1999, 754: Bonifatius bij Dokkum vermoord, Mostert, M., p. 73, afb.
  • 1998, Lamm Gottes und Zeichen des Widders : zur kosmologisch-psychologischen Hermeneutik der Ikonographie des "Lammes Gottes", Schade, Herbert, afb. 92
  • 1997, Europa en de buitenwereld 1150-1350 : examenkatern HAVO/VWO [Nijgh Versluys], Bastiaans, C., p. 51, afb.
  • 1995, Dertienhonderd jaar bisdom Utrecht, Molenaar, M.Chr.M., p. 9 afb.
  • 1995, Willibrord en het begin van Nederland, Vlierden, M. van, cat. nr. 97, p. 114, afb.
  • 1994, Pays-Bas Romans, Deijk, Ada van, p. 340-343
  • 1992, Interieur en inventaris tot 1800 [Grote of Lebuinuskerk Deventer], Dubbe, B., p. 237, kleurafb. 18, p. 244-246, afb. 202
  • 1992, Route langs 36 topstukken : Museum Het Catharijneconvent Utrecht, nr. 1, afb.
  • 1992, Grote of Lebuinuskerk te Deventer : de 'dom' van het Oversticht veelzijdig bekeken, Mekking, A.J.J., p. 237 afb., p. 244-250
  • 1992, Deventer kerkschatten 750-1900 : uit de periode ca. 750-1900, Rademaker-Helfferich, B., p. 25
  • 1989, Route langs dertig topstukken : Museum het Catharijneconvent Holland [3e dr. 1989] = Walk along thirty highlights [3de dr. 1989], nr. 1, afb.
  • 1988, Utrecht een hemel op aarde, Vlierden, M. van, cat. nr. 52
  • 1988, Goldschmiedekunst im frühen Mittelalter, Elbern, Victor H., p. 34, 83, 85
  • 1986, Ornamentum oder Bildwirklichkeit : zum Elfenbeinkelch aus der Hofschule Karls des Grossen, Elbern, Victor H., p. 185-195
  • 1986, "Libri Carolini" und die liturgische Kunst um 800 : zur 1200-Jahrefeier des 2. Konzils von Nikaia 787, Elbern, Victor H., p. 23, afb.
  • 1985, gude Sente Servas : de Servatiuslegende en de Servatiana : een onderzoek naar de beeldvorming rond een heilige in de Middeleeuwen, Koldeweij, A.M., p. 75-77, 79, 218, afb. 39
  • 1985, Schatkamers uit het Zuiden, Koldeweij, A.M., cat. nr. 4
  • 1984, Elfenbein-Einbände der Stiftsbibliothek St. Gallen, Duft, Johannes, p. 42
  • 1984, Ivoorsnijkunst één der oudste vormen van creativiteit, Linden-Nijdam, Bep van der, p. 11-12
  • 1983, Räuchergefäss aus dem Schnütgen-Museum : karolingische 'renovatio' und byzantinische Kontinuität, Wamers, Egon, p. 49, afb. 20
  • 1983, Rijksmuseum Het Catharijneconvent = State Museum Het Catharijneconvent, p. 43, afb.
  • 1982, Tekst en uitleg [1982], Defoer, Henri L.M., p. 8
  • 1981-1982, Algemene geschiedenis der Nederlanden [1981-1982], Blok, D.P., dl. 1, p. 400, afb.
  • 1981, Broederenkerk : in de geschiedenis van Deventer, Hogenstijn, C.M., p. 164-166
  • 1979, Tekst en uitleg [1979], p. 11, afb.
  • 1974, Franken in Nederland, Blok, D.P., p. 56, afb.
  • 1972, Ars sacra 800-1200, Lasko, Peter, p. 15, afb. 14
  • 1972, Van Willibrord tot Wereldraad : enige aspecten van het geestelijk leven in Utrecht door de eeuwen heen = From Willibrord to World Council : some aspects of the spiritual life in Utrecht through the ages, cat. nr. 3
  • 1972, Rhein und Maas : Kunst und Kultur 800-1400 : eine Ausstellung des Schnütgen-Museums der Stadt Köln und der belgischen Ministerien für französische und niederländische Kultur, Legner, Anton, cat. nr. A-3
  • 1968, Withmundi Wichmond, 794-1968 : het oudste kerkdorp van de Graafschap, Reinders, M., p. 26 afb. X
  • 1967, geistige Leben, Bischoff, Bernhard, cat. nr. 533
  • 1966, Notes sur quelques calices funéraires du XIe siècle en France et en Belgique, Molle, Frans van, vgl.
  • 1966, Beeldhouwkunst [1966], Bouvy, D.P.R.A., p. 10, 28-29, afb. 1
  • 1966, Gruppe spätrömischer Glasbecher aus Köln und ihr Fortwirken im frühen Mittelalter, Elbern, Victor H., m.n. p. 68-69, afb. 6
  • 1966, Kunst und Kultur im Weserraum, 800-1600, Mikat, P., dl. I. afb. 92, dl. II. cat. nr. 59
  • 1965, Gruppe insularer Kelche des frühen Mittelalters, Elbern, Victor H., m.n. p. 21, afb. 6
  • 1962, bildende Kunst der Karolingerzeit zwischen Rhein und Elbe, Elbern, Victor H., p. 412-435, m.n. p. 418, afb. 9
  • 1962, Lente der Christelijke kunst : kunst van het oudste Christendom en der vroege middeleeuwen, cat. nr. 185, afb. 27
  • 1962, Beeldhouwkunst : Aartsbisschoppelijk Museum Utrecht, Bouvy, D.P.R.A., cat. nr. 1
  • 1959, Van Friezen, Franken en Saksen, cat. nr. 155e
  • 1956, Werdendes Abendland am Rhein und Ruhr, Elbern, Victor H., cat. nr. 260, afb. 25
  • 1954, Marteldood van bisschop Bonifatius en gezellen, cat. nr. 29
  • 1940, Jaarverslag Aartsbisschoppelijk Museum Utrecht 1938 en 1939, Brom, Jan Eloy, p. 3-5, afb.
  • 1939, Catalogus van de tentoonstelling van vroeg-middeleeuwsche kunst : 739 Willibrord-herdenking 1939, Jonge, C.H. de, cat. nr. 60
  • 1937, tocht door eeuwen : uit de geschiedenis van katholiek Deventer, Heijden, L.J. van der, p. 37
  • 1932, christliche Altargerät in seinem Sein und in seiner Entwicklung, Braun, Joseph, p. 45, Taf. 1
  • 1928, kelk van St. Lebuinus te Deventer, p. 62
  • 1923, Gotische Madonnenstatuen in Deutschland, Goldschmidt, A., I, p. 152
  • 1914, oude kerkelijke kunst in Nederland : gedenkboek van de nationale tentoonstelling te 's-Hertogenbosch in 1913 : afbeeldingen der belangrijkste voorwerpen, Frederiks, J.A., p. 18, 63, cat. nr. 503, pl. XXXVI, afb. 58
  • 1913, Catalogus der Nationale Tentoonstelling van oude kerkelijke kunst te 's-Hertogenbosch juni - september 1913, Kalf, Jan, cat. nr. 503, afb. 58, pl. XXXVI
  • 1911, Mededelingen over de monumenten van Deventer, Hoefer, F.A., p. 146, afb.
  • 1906, katholieke kerken in Nederland : dat is de tegenwoordige staat dier kerken met hunne meubeling en versiering beschreven en afgebeeld, Kalf, Jan, p. 79 afb, p. 80
  • St. Lebuinuskerk te Deventer, Hoefer, F.A., plaat 25