Geen afbeelding beschikbaar
  • /media/adlib/RMCC%20b108_2.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_1.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_2.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_3.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_4.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_5.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_6.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_7.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_8.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_9.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_10.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_11.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_12.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_13.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_14.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_15.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_16.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_17.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_18.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_19.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_20.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_21.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_22.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_23.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_24.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_25.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_26.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_27.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_28.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_29.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_30.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_31.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_32.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_33.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_34.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_35.jpg
  • /media/adlib/StCC%20b59_37.jpg

onbekend

Treurende vrouw uit passievoorstelling, frontaal, in gebedshouding, tulbandvormige hoofdtooi, tekst

-

Treurende vrouw
Antwerpen, ca. 1480
StCC b59
Aangekocht met steun van de Vereniging Vrienden van het Catharijneconvent

Op de mantelrand van deze vrouw is een dankhymne geschreven: ‘Geloofd zijt Gij in het firmament van de hemel, geprezen en geroemd in eeuwigheid.’ Deze hymne is volgens de overlevering gezongen door drie jongelingen, die door God waren gered uit een brandende oven. Dit bijbelverhaal (Daniël 3) wordt in de middeleeuwen geassocieerd met de verlossing van de ziel door de kruisdood van Christus. Het beeld was daarom waarschijnlijk onderdeel van een voorstelling van het lijden van Christus.

Objectspecificatie

Objectnaam
beeld
Materiaal
eikenhout, verf, goud
Afmetingen
Nu te zien in
Klooster begane grond Refter
Verwervingsmethode
aankoop
Verwervingsdatum
2006
Verwervingsbron
Objectnummer
StCC b59

Objectbeschrijving

De treurende vrouw is frontaal weergegeven. Haar linkerbeen is iets vooruit geschoven, haar hoofd iets naar links geneigd. Ze houdt haar handen voor de buik gevouwen en kijkt naar beneden.

Op het hoofd van de vrouw staat een tulband, die op zijn plaats gehouden wordt door een doek die onder haar kin doorgehaald is. De vrouw draagt een lang gewaad met dichtgeregen keurs en ronde halsuitsnijding waarin een witte doek of hemd zichtbaar is. De mouwen van het gewaad eindigen in brede, omgeslagen en van onderen dichtgeregen boorden. Over het gewaad draagt ze een mantel die ze onder beide armen ophoudt. Aan haar beide zijden valt de mantel in een reeks driehoekige plooien neer. De mantel bedekt het grootste deel van haar onderlichaam. De iets puntige schoen van de linkervoet komt midden voor onder het kleed uit.

Op de zoom van de mantel staat de inscriptie: "· BENEDICTV[S] · ES · D(OMI)N(V)S · [IN F]IRMAMEN[TO] · CELI · LAVDABILIS · G[LORIOS]VS · ET · SV[PER] · EXALT[A] E[XALTA?]TVS · IN · SECULA · GLORIA ·." "Geloofd zijt Gij
in het firmament van de hemel, geprezen en geroemd in eeuwigheid." De tekstgedeelten tussen vierkante haken zijn niet meer goed zichtbaar of verborgen in plooien. De gedeelten tussen ronde haken zijn voluitschrijvingen van afgekorte woorden. Tussen de twee woorden "exaltatus" springt de tekstband over van de rand langs de linkerarm, naar de rand langs het linkerbeen. Wellicht is daarom dit woord herhaald.

Op de achterzijde onderaan gemerkt met de hand van Antwerpen.

Polychromie:
Oorspronkelijke polychromie. Incarnaat: lichtroze met blosjes op de wangen; mond helderrood; fijne details van de ogen in rode en zwarte lijntjes; wenkbrauwen bruin; iris blauw en pupil zwart. Doek: wit met telkens drie dwarse, rode strepen. Hemd: wit. Kleed: brokaatpatroon in vergulding en zwart op een lichtrode bolus. Brokaatpatroon niet meer goed te zien: resten van heel fijne, parallelle, zwarte lijntjes in verticale, horizontale en diagonale richting; sporen van applicaties (?); brede vergulde zoom; manchetten: rood waarop sporen van blauw; koord keurs: rood. Mantel: buitenzijde verguld; binnenzijde blauw. Tekst mantel: gouden letters op donkere rand uit meerdere lagen rood; langs de rand aan weerszijden een ingeponste versiering van een reeks grote punten, aan weerszijden begrensd door een reeks kleine puntjes. Schoen: zwart. Grond: zwart (groenig?).

Techniek:
Het werkblok is aan de achterzijde glad afgewerkt.
Aan de achterzijde van de rechterschouder is een rechthoekig deel aangezet met een ijzeren nagel. Aan de linkerzijde is een deel van de plooien van de mantel aangezet. De begrenzingen van beide aangezette delen zijn niet geheel te volgen.

Staat:
Afgebroken: deel slip van de doek aan de achterkant links; deel grond rechts naast de schoenpunt; mantelranden bij beide armen.
De polychromie is over de gehele oppervlakte gesleten en beschadigd.

Aanvullende informatie

De figuur is onderdeel van een passieretabel.

Verslagen rijksverzamelingen 1955: Maria, Antwerpen, ca. 1485. Onderdeel van een kruisiging. "(...) een vertaling in beeldhouwkunst van de schilderkunst van Memlinc of de jonge Gerard David (...)". Gekocht om de parallelliteit tussen beeldhouwkunst en schilderkunst te tonen.
Bouvy 1968: Vroedvrouw, Antwerpen, ca. 1480. Tekst maakt deel uit van de verzen die gezongen worden na het 'Te Deum Laudamus'. Het is een dankhymne, maar oorspronkelijk werd deze lofprijzing gezongen door de drie jongelingen, nadat zij ongedeerd uit de vuuroven tevoorschijn kwamen (Daniël 3,56). Daarin waren zij geworpen op bevel van de Babylonische koning Nebukadnessar, omdat zij weigerden een afgodsbeeld te aanbidden. Het ongedeerd blijven van de drie jongelingen werd in de vijftiende eeuw verbonden met de maagdelijkheid van Maria. Zoals de jongelingen ongedeerd bleven door het vuur, zo bleef Maria maagd door het vuur van de Heilige Geest. Bouvy meent derhalve dat de figuur één van de vroedvrouwen bij een Geboorte van Christus was en vergelijkt haar met vroedvrouwen op geboortevoorstellingen van Vlaamse meesters, waar de vroedvrouwen meestal met tulband worden afgebeeld. Veel overeenkomst ziet hij met een vroedvrouw op een schilderij van Petrus Christus in New York (Wildenstein Gallery; zie: Panofsky, Early Netherlandish Painting I, afb. 82).
's-Gravenhage 1968: Antwerpen, ca. 1480. Één van de heilige vrouwen bij de bewening of graflegging van Christus. De tekst is ontleend aan een Biblia Pauperum of Speculum humanae Salvationis, die als inspiratiebron dienden voor dergelijke retabels (Verwijzing naar Emile Male). Stilistisch verwant aan de figuren van het Antwerpse retabel van het hoofdaltaar uit de Wallfahrtskirche te Klausen.
's-Gravenhage 1970: id. Één van de treurende vrouwen, die links onder de gekruisigde Christus stonden.
's-Gravenhage 1977: id. Van een retabel met bewening of kruisafneming.
's-Gravenhage 1985: Vlaams, met sterke Antwerpse invloed. Van een passie-voorstelling.
Jaarverslag RMCC 1988: Antwerpen, 15de eeuw, passieretabel.
Caron 1989: Antwerpen, ca. 1480, van een graflegging. Tulband is in de 15de eeuw standaarduitrusting van personages uit de omgeving van Jezus en Maria. Overigens kleding overeenstemmend met mode in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De Vulgaattekst van het opschrift luidt: "Benedictus es in firmamento coeli et laudabilis et gloriosus in secula." De tekst komt ook voor in het brevier, in de lofzang die gezongen werd na de Lauden op zondag, aangevuld met de aanspreekvorm "Domine" waarvan op het beeld "Dominus" gemaakt is. "Gloria" is het begin van de lofprijzing van de Drie-eenheid die gezongen wordt aan het eind van het psalmgebed. Redding van de drie jongelingen werd in de middeleeuwen beschouwd als prototype van de verlossing van de menselijke ziel door Christus. Hier is een duiding als figuur bij een Graflegging of Bewening ook mogelijk. Caron vergelijkt met New York, Metropolitan Museum of Art, inv.nr. 41.100.128: een 15de-eeuws Vlaams beeldje van walnoot, waarvan aangenomen wordt dat het bij een Graflegging hoorde.
Den Haag 1993: als Den Haag 1985.
Gent 1994: Steyaert schrijft de figuur toe aan de "Meester van het Pfalzel-Passieretabel"; hij vergelijkt hierin de v-vormige plooien aan de rechterkant met die van een Johannes van Calvarie door de Antwerpse Jan Crocq (werkzaam in Lotharingen ca. 1486-1510), Nancy, Musée Historique Lorrain, inv.nr. 77-3-16.

Van Vlierden: Steyaert geeft geen literatuur bij de verwijzing naar de Meester van het Pfalzl-retabel. Hier zal bedoeld worden het Antwerpse passieretabel van Pfalzl, in het Dom- und Diözesanmuseum te Wenen. (Zie W. Kuba-Hauch, A. Saliger, Dom- und Diözesan Museum Wien, Wenen 1987, cat.nr. 193) Ook dit retabel bevat grote, monumentale sculpturen van hoge kwaliteit. In de Bewening, aan de rechterzijde van de kruisiging, zijn figuren aanwezig die met RMCC b109 te vergelijken zijn. De stukken zijn Antwerps gemerkt en dateren van rond 1480. De stilistische overeenkomst met RMCC b109 is erg groot en dit stuk zou heel goed van dezelfde meester of hetzelfde atelier kunnen zijn. In de mus.cat. Wenen wordt dit retabel overigens wat vroeger gedateerd: rond 1460.

Ook het retabel te Klausen vertoont dergelijke vrouwenfiguren en is eveneens rond 1480 in Antwerpen vervaardigd. De iconografie van de Bewening is globaal vergelijkbaar met die van het retabel te Wenen en net als daar ook gecombineerd met een kruisafneming. Zie H.J. De Smedt, "De Antwerpse retabels en hun iconografie: een overzicht van onderwerpen en veranderingen", in: Antwerpse retabels 15de-16de eeuw. II Essays, H. Nieuwdorp (o.l.v.). Antwerpen 1993 [tent.cat. Kathedraal van Antwerpen], p. 23-46, p. 25-26, afb. 4-7.
Vr. med. dr. Krohm (Staatliche Museen etc. Berlin) 1999: Het stuk zou verwant zijn aan figuren op de zijluiken van het altaarretabel te Klausen.
Weniger 2002: De heilige vrouw behoort tot de vroegste gemerkte Antwerpse retabels. Zij behoort tot een groep van uitzonderlijk hoge kwaliteit, waartoe Weniger ook het retabel te Klausen, S. Mariä Heimsuchung, het retabel van Pfalzel te Wenen, en twee retabelfragmenten uit de collectie Böhler rekent. Laatstgenoemde betreffen een Bezwijming van Maria, sinds 1945 verdwenen uit het Deutsches Museum te Berlijn (inv. nr. 7072; zie o.a.: Demmler 1930, p. 330-331 en Brussel 1977, p. 101), en een groep van Soldaten vechtend om de mantel van Christus, door kunsthandel Julius Böhler uitgeleend aan het Bayerisches Nationalmuseum te München (inv. nr. L81/60). Volgens Weniger behoort de Treurende vrouw tot hetzelfde passieretabel als beide voornoemde fragmenten. Hij noemt dit retabel het 'retabel Böhler'. Alle werken uit de groep Klausen/Pfalzel/Böhler zijn gemaakt van eikenhout en gemerkt met de hand van Antwerpen, behalve het middengedeelte van het
retabel van Pfalzel, een notenhouten Kruisiging van Brusselse makelij.
Verder kenmerkt de groep zich door een uitzonderlijk hoge kwaliteit, een zeer rijke polychromie met persbrokaat en metaal-applicaties en een sterkes tilistische en technische homogeniteit. Het brokaatpatroon op het kleed van de Treurende vrouw is identiek aan dat van de Maria Salome in het retabel van Pfalzel. Het grootste deel van de sculpturen uit deze groep is gemaakt van werkblokken van ca. 60 cm hoog. Aan het 'kernblok' zijn veelvuldig kleine delen aangelijmd, zoals ook bij de Treurende vrouw het geval is. Verder is een belangrijk kenmerk dat de figuren vrijwel en ronde bosse zijn uitgewerkt. Mogelijk verwant aan deze groep is een Treurende vrouw uit de voormalige collectie Bollert. Deze heeft een aan de hier besproken Treurende vrouw verwant koptype en draagt een identieke tekst op haar kleed. Zie: Regine Bonnefoit, Hartmut Krohm, Skulpturen der Gotik und Renaissance. Die ehemalige Sammlung des Justizrats Fr. Gehrart Bollert, Berlijn 2000 [tent. Berlijn, Staatliche Museen], cat. nr. 63. De groep Klausen-Pfalzl-Böhler is te dateren in de periode 1475-1490. De polychromie met brokaatpatronen en metaal-applicaties, met name de napjesdecoratie op de retabels van Klausen en Pfalzel, alsmede de hoge kwaliteit van de sculpturen in de gehele groep wordt normaliter geassocieerd met een Brussels ontstaan (zie Opdracht in de tempel; en RMCC b108 etc.). Mede door de aanwezigheid van een Brussels stuk in het verder Antwerpse retabel van Pfalzel, blijkt uit deze groep dat er er in de vijftiende eeuw een zeer nauwe connectie bestond tussen de productiecentra Brussel en Antwerpen.

NB: het handje wordt telkens 'ingebrand' of 'ingeschroeid' genoemd. Het lijkt eerder ingesneden (Van Vlierden).

Lijmsporen van een moderne restauratie.
Het beeldje stond tot de restauratie van 2005 op een modern, ovaal eikenhouten plankje, dat toen werd verwijderd.

Het inv.nr. van het Maurithuis is nr. 922.

Eigendomsgeschiedenis

J. Böhler München; kunsthandel Rosenberg en Stiebel New York; 1955 Stichting Johan Maurits van Nassau.

Literatuurverwijzingen

  • 2016, 'Met openvallend tuniekje leest Jezus ons de les', Leeflang, Micha, p. 43, afb.
  • 2006, Christianity in the Netherlands : highlights from Museum Catharijneconvent, Hellemans, B.S.
  • 2006, Christendom in Nederland : topstukken uit Museum Catharijneconvent, Hellemans, B.S., p. 35, afb. 27
  • 2005, Red de treurende vrouw!, Höppener-Bouvy, H.M.E., afb.
  • 2005, Treurende vrouw gered, Höppener-Bouvy, H.M.E.
  • 2004, Huid op hout, Lehmann, Ann-Sophie
  • 2004, Hout- en steensculptuur van Museum Catharijneconvent, ca. 1200-1600, Vlierden, M. van, p. 43 kleurafb., 271
  • 1994, Laat-gotische beeldhouwkunst in de Bourgondische Nederlanden, Steyaert, John W., p. 170, afb. 32c
  • 1993, Jaarverslag Rijksmuseum Het Catharijneconvent 1989, p. 41
  • 1989, Twee gepolychromeerde middeleeuwse beeldjes : treurende vrouw en Maria Magdalena, Caron, M.L., p. 9-10
  • 1977, Illustrated general catalogue [Mauritshuis], p. 267, nr. 922
  • 1976, Spätmittelalterliche Bildwerke aus Brabant : Figuren heiliger Frauen von einer Grablegung Christi, Krohm, Hartmut, m.n. p. 20-24
  • 1970, 1945-1970 : vijfentwintig jaar aanwinsten Mauritshuis, Gudlaugsson, S.J. (inl.), cat. nr. 4
  • 1968, vroedvrouw : Antwerps Meester (omstreeks 1480), Bouvy, D.P.R.A., p. 19a-19b
  • 1968, Schilderijen en beeldhouwwerken, 15de en 16de eeuw : catalogus 1 [Mauritshuis], p. 57, nr. 922
  • Verslagen der Rijksverzamelingen van geschiedenis en kunst, p. 120, afb.
  • Vers une réévaluation des prémices de la production des retables anversois: l'atelier du Maître de Klausen, Weniger, Matthias, p. 494-508, afb.