Geen afbeelding beschikbaar

Meester van de Emmerikse kerkkroon

Maria met kind op de maansikkel, van marianum

-

Maria met kind
Meester van de Emmerikse Kerkkroon
ca. 1480-1500
ABM bh338

Het beeld is afkomstig van een marianum, zoals er ook een in het midden van de zaal hangt. Onder Maria's voeten ligt de maan in haar twee schijngestalten, halve en volle maan. De druiven die het kind vasthoudt, verwijzen naar de miswijn.

Trefwoorden
Meester van de Emmerikse kerkkroon

Objectspecificatie

Objectnaam
beeld
Materiaal
eikenhout, verf, goud
Afmetingen
Huidige locatie
Niet in het museum te zien
Verwervingsmethode
schenking
Verwervingsdatum
1891
Verwervingsbron
Objectnummer
ABM bh338

Objectbeschrijving

Maria is staande voorgesteld, rustend op haar rechterbeen. Haar vooruitgeschoven linkervoet heeft ze stevig op het bolle gezicht van de maan gezet, dat dwars, naar rechts, onder haar voeten ligt. Aan beide kanten ervan steekt een scherpe punt van de maansikkel omhoog. Maria draagt het naakte kind in beide handen voor zich en steunt het bij zijn buik en onderbeentjes. Het kind ligt met het hoofdje naar links, het lichaam is naar de beschouwer gedraaid. Het houdt een druiventros in beide handjes.
Maria's ovale gelaat wordt omgeven door sterk gestileerde, naar buiten krullende haarstrengen, die tot de ellebogen kronkelend over de armen en schouders neerhangen. Het kind heeft stijve, ronde lokken.

Maria is gekleed in een wijd gewaad met ronde, dubbel afgebiesde hals, waarin nog twee randen van boorden zichtbaar zijn. Langs de hals is het kleed geplisseerd. De stof valt in twee dikke pijpplooien tussen haar borsten en meerdere over haar buuik. De mantel is op haar borst met een dubbel, getorst koord gesloten en vastgezet onder het kind en Maria's rechterarm. Een lange pijpplooi voert diagonaal naar rechts naar haar voet, die gestoken is in een puntige schoen en trip. De mantelrand vormt een diagonale pijpplooi in tegenovergestelde richting. De mantel hangt onder haar rechterarm in diepe, gebroken, onregelmatige kreukels neer.

Polychromie:
Geringe sporen van polychromie. Witte grond. Kleed: vergulding op rode bolus met ingeponst patroon van zesbladige bloempjes en een rand van ingeponste puntjes langs onderzoom. In de holte van de linkerarm blauw op zwarte grond.
Buitenzijde mantel: roze (?) met op enige afstand van de zoom een lijn met ingeponste puntjes. Binnenzijde mantel: blauw met vlak langs de zoom ingeponste puntjes, heel dicht opeen. De schoen is rood. Er zit ook rood op de mond van de maan.

Techniek:
Het beeld is over de hele lengte uitgehold. Brede gutssporen in de uitholling. Er zit een noest aan de achterzijde links naast de uitholling. De uitholling is ca. 8 tot 10 cm breed. Langs de uitholling zitten zaag- en gutssporen. Ter hoogte van de schouder rechts twee uithollingen. De kern lag aan de achterzijde in het werkblok. Aantal kopse spieën o.a. in maan, mantel, hoofd van Maria. De bovenzijde van het hoofd is niet uitgewerkt. Langs het haar, vooral links, een groef voor een nu verdwenen kroon.
Werkbanksporen: Boven op het hoofd van Maria een rond gat met afgezaagde houten pen, waarin een tweede pen. Schuin boven het gat een kleiner met hout gestopt gaatje.
Geen specifieke bevestigingspunten voor de rest van het Marianum ontdekt.
Bovenaan over uitholling een smeedijzeren band, breed uitlopend, aan weerszijden met drie schroeven vastgezet (dus niet oorspronkelijk).
Onder het midden, aan weerszijden van uitholling, twee grote spijkergaten, één rechts onderaan en één midden boven.

Staat:
Aangevuld: kind: linkerelleboog, linkerpink, beide voetjes; Maria: linkerhand, deels aangezet; de uiteinden van twee vingers en de duim zijn één geheel met de benen van het kind.
Het linkerarmpje van het kind was gebroken, is hersteld en aangevuld. Twee vingers van de linkerhand van Maria zijn aangevuld. Haar linkerelleboog en de haarpunt zijn bijgezaagd. De rechterpunt van de maan is gebroken, hersteld en aangevuld. In de linkerpunt van de maansikkel is een stukje ingezet. De mantelslip rechts onderaan is gebroken, gescheurd en hersteld. Twee spietjes op standvlak aangespijkerd voor rechtstand.
Ontbreekt: de kroon.
Afgebroken: kleine stukjes van het haar.
Het beeld is aan de onderzijde lichtgescheurd, radiaal. Het hoofd idem. Spijkergaatjes: twee boven de uitholling en één links onderaan. In de voorzijde van het standvlak een grote, moderne schroef. In de rand voor de kroon links een spijker. Scheuren in de onderzijde: o.a. in de maan en de maansikkel.
De onderzijde van de maan is wormstekig.
Het beeld is bedekt met een donkerbruine was/beitslaag.

Aanvullende informatie

Het beeld is de helft van een marianum. Zie voor dit beeldtype ABM bh606.

Inv. Rientjes: 1ste kw. 16de eeuw; later: Kleef/Gelre, Emmerik, begin 16de eeuw.
Inv.vel:

Reiners, Niederrheinische Plastik?

Verslag Bernulphusgilde 1891: Meester van de Emmerikse kerkkroon, deel van een kroonluchter.
Clemen 1892: Meester van de Emmerikse kerkkroon. Evenzo afkomstig van een kroonluchter. De Meester van Emmerik is mogelijk Rabe von Eymerick, genoemd in 1491.
Vogelsang 1911: Nederrijn-Duitsland, eind 15de eeuw. Helft van een Marianum (?). Op de foto ontbreken: beide voetjes van het kind, een spie uit zijn rechterarm, de linkerhand van Maria op twee vingers en duim na.
Lüthgen 1917: toegeschreven aan de meester van Emmerik, aan wie hij zowel de Emmerikse kerkkroon als de heiligen uit de Aldegundiskerk te Emmerik toeschrijft. (Mogelijk is op p. 239 sprake van ABM bh337).
Brief Goebel (Heimatmuseum Emmerich) d.d. 25-7-1929 (hangmap): Meester Rabe werd in 1478 burger van Emmerik.
Demmler 1930: Schrijft met zekerheid een Anna-te-drieën in de Staatliche Museen te Berlijn toe aan dezelfde hand. (Inv.nr. 8097; Nederrijn/Kleef, ca. 1480; zie ook: Berlijn 1962, cat.nr. 20).
Vogelsang 1935, 1946, 1954, 1963: Deelt de 15de-eeuwse beeldhouwkunst in in vier groepen. De eerste, van 1430-70, volgens kenmerken het naast verwant met de stukken ontstaan buiten ons eigen zuid-oostelijke gebied: Kleef, Xanten, Kalkar, Emmerik, Wezel, tot aan Keulen toe: Nederrijn. De tweede toont invloed van of verband met Zuidbrabantse/Vlaamse werken. De derde, hoewel nog verwant met in Duitsland gesneden werken, is toch Utrechts/Stichts ofwel toont Gelderse trekken. Een deel toont verwantschap met noordelijk Westfalen, omgeving Münster en Bremen. De vierde is een kleine, maar belangrijke groep, die zowel iconografisch als naar de vorm westelijker te plaatsen is: in de buurt van Haarlem. ABM bh337 en ABM bh338 behoren beide tot groep 1. Terwijl ABM bh338 met spanning is gesneden en gestileerd, is ABM bh337 volkomen tegengesteld van opvatting, wat onregelmatig en natuurlijker. ABM bh338 neigt meer naar het Duitse, ABM bh337 meer naar het Nederlandse.
Bouvy 1947: Emmerik. Bouvy twijfelt of het toe te schrijven is aan de Meester van Emmerik, ofwel Rabe van Eymerick [d.i. de Meester van de Emmerikse Heiligen, zie ABM bh337]. De door Clemen aan hem toegeschreven werken in de Aldgondiskirche zijn niet verwant.
Bouvy 1953: Eind 15de eeuw, "soepele richting" waarvan de kenmerken onder meer zijn de driehoeksplooien en de vernauwde mouwsluitingen. Bouvy verwijst naar een zeer verwant beeld uit het Kunstgewerbemuseum te Keulen [foto hangmap, inv.nr. ?, h. 153 cm, zie Arnhem 1953, cat.nr. 15].
Roermond 1953: Gelre, eind 15de eeuw.
Amsterdam 1958 (Leeuwenberg): Meester van de Emmerikse Kerkkroon. Deze meester was werkzaam omstreeks 1480-1510. Hij ontleent zijn noodnaam aan een Marianum in de St.-Aldegundiskerk te Emmerik. Gezien zijn stijl was hij een tijdgenoot van de Kleefse meester Dries Holthuys. Zijn werk vindt men hoofdzakelijk in kerken in de omgeving van Kleef. Het vertoont een metalig hard oppervlak, bolle gezichten met spitse neuzen, kleine mondjes en tegen het hoofd plakkend haar, dat ter hoogte van de slapen in driedubbele strengen overgaat. Leeuwenberg schrijft behalve ABM bh338 aan hem toe de Anna-te-drieën in Berlijn (cat.nr. 350), een Catharinabeeld in de St.-Mattheuskerk te Eibergen (cat.nr. 315), een Anna-te-drieën in de R.K. kerk te Panningen, een Anna-te-drieën te Sonsbeck, de Maria met kind in het Kunstgewerbemuseum te Keulen en één in de Minorietenkerk te Kleef.
Berlijn 1958: Nederrijn, ca. 1490. Van dezelfde hand als de Anna-te-drieën in Berlijn. De Maria met Kind in het Kunstgewerbe-Museum te Keulen is niet van dezelfde hand.
Bouvy 1959: als Bouvy 1953.
Nüss 1961: Meester van de Emmerikse kerkkroon, ca. 1500.
Utrecht 1962 (Bouvy): Kleef-Gelre (omg. Dries Holthuys), ca. 1500. Noemt nog een soortgelijk beeld als middenstuk van een luchter, in de Nicolaikirche te Kalkar. Aan hetzelfde atelier schrijft hij toe een Maria met kind in de R.K. kerk te Boven-Leeuwen (Amsterdam 1958, cat.nr. 357, daar Mr. van Elsloo). De Anna-te-drieën in Berlijn is waarschijnlijk van dezelfde hand.
's-Gravenhage 1963: Noord-Nederland (Kleef-Gelre), ca. 1500.
Kleef 1963 (Gorissen): Kleef-Gelre. Gorissen ziet de Meester van de Emmerikse Kerkkroon en het werk van en rond Dries Holthuys als een verdere ontwikkeling van eenzelfde "Künstlerpersönlichkeit". Tot het werk van dit atelier rekent hij dus ook ABM bh338 (p. 88-89).
Meurer 1967: Meurer schrijft behalve ABM bh338 en de Anna-te-drieën te Berlijn ook Jacobus Maior met twee pelgrims in de St.-Nikolaikirche te Kalkar aan dezelfde hand toe. De meester staat stilistisch in tussen het werk van Arnt van Zwolle en Dries Holthuys en is dus niet identiek met deze laatste.
Meurer 1970: Meurer beschouwt de Meester van de Emmerikse Kerkkroon als een leerling van Arnt van Zwolle. Het kind van ABM bh338 volgt in de compositie Arnts Madonna in Kalkar (St.-Nikolai). De verticale plooien lijken op die van de Veronica in Kleef (Minoritenkirche) en van de Catharina te Eibergen (afb. 194 en 306).
Keulen 1970: Meurer schrijft ook een Petrus en Mattheus in de St.-Nikolai in Kalkar en een Anna-te-drieën in de St.-Willibrord te Kellen, en twee Christoffelbeelden in de St.-Aldegundiskerk te Emmerik en in het Rheinmuseum te Emmerik aan deze meester toe.
Smeyers 1994: als icon. vb.
Defoer 1994/95: Vergelijkt ABM bh338 met BMH bh826, maar durft dit laatste toch niet aan dezelfde meester toe te schrijven. De Meester van de Emmerikse Kerkkroon moet werkzaam zijn geweest in Emmerik aan het eind van de 15de en het begin van de 16de eeuw en wordt beschouwd als een van de beste leerlingen van Arnt van Zwolle. In zijn Mariabeelden vonden Arnts elegante Mariafiguren en vrouwelijke heiligen een geslaagde voortzetting, hoewel zij de melancholische uitdrukking, die zo vaak te vinden is bij figuren van Arnt, missen. Alle details, zowel haren, gelaatstrekken als plooien zijn harder en scherper in het hout gesneden en doen in hun heldere precisie nog sterker aan grafiek denken, dan bij veel van het werk van zijn Kleef-Gelderse collegae reeds het geval was.
Karrenbrock 1999: Dries Holthuys, eind 15de eeuw. Plaatst de Maria met kind op grond van de algemene compositie en het ronde koptype in één groep met een Maria met kind uit de voormalige verzameling Moest te Aken (afb. 8). Zowel stenen de Maria met kind van Holthuys te Xanten, als het exemplaar uit de verzameling Moest volgen het type van de kleine madonna van Meester Arnt te Kalkar, dat in het Nederrijngebied grote verspreiding vond.
Kleef 2002 (Karrenbrock): Dries Holthuys, voor 1500. De plooival van de Maria met kind verschilt van die van de Maria van de Emmerikse kerkkroon (cat. nr. 26), waar de voorzijde van het beeld gekenmerkt wordt door schotelplooien. Hier zien we pijpplooien, door de diagonale beweging van de mantel oversneden. De compositie van de figuur is spiegelbeeldig aan die van de Maria onder het kruis van Isselburg (cat. nr. 7). Zeer groot is ook de overeenkomst met de kop en de plooival van een vrouwelijke heilige in privé-bezit (cat. nr. 16).

Pastoor H. Terwindt te Herwen en Aerdt (Lobith) (1805-1893).

Literatuurverwijzingen

  • 2017, Geen dag zonder Maria, Krikhaar, Désirée M.D., 15 juli
  • 2017, Roosenkrans is een zelfportret : een interview met kunstenaar Maria Roosen, Constandse, Irene
  • 2017, Maria [bezoekersboekje], nr. 122
  • 2004, Uit het goede hout gesneden : religieuze houtsculptuur uit het Museum Catharijneconvent Utrecht in dialoog met de Gruuthusecollectie, Parez, M., p. 29-31
  • 2004, Hout- en steensculptuur van Museum Catharijneconvent, ca. 1200-1600, Vlierden, M. van, p. 118, 198, 234, 308, 326, 333, 350
  • 2002, Dries Holthuys : ein Meister des Mittelalters aus Kleve, Karrenbrock, Reinhard
  • 1994, Catharijneconvent in Utrecht : enige beelden nader bekeken, Defoer, Henri L.M.
  • 1994, Marianum of Onze-Lieve-Vrouw-in-de-zon : getuige van een laat-middeleeuwse devotie in de Nederlanden en in Duitsland, Smeyers, M., p. 272, nt. 12, afb. 2
  • 1970, klever Chorgestühl und Arnt Beeldesnider, Meurer, Heribert, p. 90, afb. 308
  • 1970, "Niederrheinisches" in Utrecht : alte Kunstwerke aus heimischen Werkstätten in ausländischen Mussen, Löhr, Alfred
  • 1967, Heilige Jakobus Major aus Kalkar, Meurer, Heribert, m.n. p. 102-104, afb. 90
  • 1963, Kunst uit kerkelijke musea in Nederland, Haaren, H.J.A.M. van, cat. nr. 109
  • 1963, klevischen beeldensnijder : niederländische Holzbildnerei, 1474-1508, Gorissen, Friedrich (inl.), cat. nr. 44, afb. 44, p. 88-89
  • 1962, Beeldhouwkunst : Aartsbisschoppelijk Museum Utrecht, Bouvy, D.P.R.A., cat. nr. 178
  • 1961, Niederrheinische Madonnen : das Marienbild in der niederrheinischen Plastik, Nüsz, F.J., cat. afb. 37
  • 1959, Sprekend verleden, p. 61
  • 1958, Middeleeuwse kunst der Noordelijke Nederlanden, Roëll, David Cornelis, nr. 349
  • 1958, Deutsche Bildwerke aus sieben Jahrhunderten, Maedebach, H. (Hrsg.)
  • 1953, Beeldhouwwerken uit de Liemers in het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht, Bouvy, D.P.R.A., p. 102, afb. 39, 40
  • 1947, middeleeuwsche beeldhouwkunst in de Noordelijke Nederlanden, Bouvy, D.P.R.A., p. 132-133
  • 1911, Holzskulptur in den Niederlanden, 1: das Erzbischöfliche Museum zu Utrecht, Vogelsang, W., nr 41, pl. IV
  • 1892, Kunstdenkmäler der Rheinprovinz, 1. Bd. III: Die Kunstdenkmäler des Kreises Moers, Clemen, P., p. 36
  • 1891, kunstreis (o.a. naar Kleef), p. 23-49, m.n. p. 31
  • Laat-middeleeuwse kunst uit Opper-Gelre, cat. nr. 9
  • Noord-Nederlandsche beeldhouwkunst van de 12e tot de eerste helft der 16e eeuw [2e druk], p. 133-134, afb. 18
  • Noord-Nederlandsche beeldhouwkunst van de 12e tot de eerste helft der 16e eeuw [1e druk], Vogelsang, W., p. 92-93, afb. 18